Schaaklessen

65 korte lessen in 11 hoofdstukken. Elke les speel je stap voor stap op het bord, net als in de app.

Schaakbasis

Stukken, zetten en speciale regels

  1. Het bordElk veld heeft een naam: de letter van de lijn plus het nummer van de rij, zoals e4.
  2. De beginstellingDe dame op haar eigen kleur, de koning ernaast. En Wit begint altijd.
  3. De pionPionnen gaan rechtdoor, maar slaan diagonaal; bij hun eerste zet mogen ze twee velden vooruit.
  4. De torenTorens gaan in rechte lijnen zo ver als ze willen en houden van open lijnen.
  5. De loperEen loper gaat diagonaal en blijft de hele partij op dezelfde kleur.
  6. De dameDe dame zet als een toren en een loper samen. Ze is 9 waard, dus houd haar veilig.
  7. Het paardHet paard springt in een L-vorm en is het enige stuk dat over andere stukken heen kan springen.
  8. De koningDe koning zet één veld tegelijk en mag nooit naar een veld gaan waar hij schaak staat.
  9. StukwaardenPion 1, paard 3, loper 3, toren 5, dame 9: tel voordat je ruilt.
  10. SchaakOp drie manieren kom je uit het schaak: verplaats de koning, blokkeer de lijn of sla de aanvaller.
  11. SchaakmatSchaakmat is schaak zonder uitweg. De partij is dan meteen afgelopen.
  12. PatGeen geldige zet, maar de koning staat niet schaak? Dat is pat: remise. Sta je gewonnen, laat de vijandelijke koning dan een veld vrij.
  13. RokerenRokeer vroeg: de koning verstopt zich in de hoek en de toren komt naar het centrum.
  14. En passantEn passant slaan kan alleen direct nadat een vijandelijke pion twee velden vooruitgaat en naast jouw pion terechtkomt.
  15. PromotieEen pion die de laatste rij haalt, wordt een nieuw stuk: meestal een dame.

Houd je stukken veilig

Herken ongedekte stukken en gratis slagzetten

  1. Ongedekte stukkenZoek vóór elke zet naar ongedekte stukken: die van jou en die van je tegenstander.
  2. Dek je stukkenWordt een stuk aangevallen? Verplaats het, dek het of sla de aanvaller.
  3. Slim ruilenSla alleen als je minstens evenveel punten krijgt als je teruggeeft.
  4. Herken de dreigingVraag je na elke zet van je tegenstander af: wat valt die zet nu aan?
  5. Opgesloten stukkenEen stuk zonder veilig veld zit opgesloten. Val het aan en win het.

Tactiekgereedschap

Vorken, penningen, spiesen en aftrekaanvallen

  1. De vorkEen vork valt met één zet twee stukken aan; je tegenstander kan er maar één redden.
  2. De penningEen gepend stuk kan niet weg, want dan kan een waardevoller stuk erachter geslagen worden.
  3. De spiesEen spies valt eerst het waardevolle stuk aan; gaat dat weg, sla dan het stuk erachter.
  4. AftrekaanvallenZet één stuk opzij, en het stuk erachter valt ineens aan.
  5. De verdediger uitschakelenSla de verdediger, en het stuk dat de verdediger dekte, staat ongedekt.

Matpatronen

Geef zelf mat, voorkom mat

  1. Mat met de dameEen dame naast de vijandelijke koning kan mat geven als een ander stuk haar dekt.
  2. De torentrapTwee torens kunnen op eigen kracht mat geven: de ene bewaakt een rij, de andere geeft schaak op de volgende.
  3. Mat op de achterste rijEén toren kan mat geven aan een koning die op de achterste rij vastzit achter zijn eigen pionnen. Geef je koning een vluchtveld.
  4. StikmatEen paard kan mat geven aan een koning die door zijn eigen stukken is ingesloten.
  5. Mat in tweeZoek bij mat in twee naar een dwingende eerste zet: een schaakzet of een grote dreiging.

Openingsprincipes

Centrum, ontwikkeling en een veilige koning

  1. Beheers het centrumVecht om de vier centrumvelden: stukken daar bereiken de meeste velden.
  2. Ontwikkel je stukkenOntwikkel je paarden en lopers voordat je hetzelfde stuk twee keer zet.
  3. Rokeer vroegRokeer in de eerste zetten, voordat het centrum opengaat.
  4. Niet eerst de dameBreng je dame pas laat naar buiten. Anders jagen kleinere stukken haar op en wint je tegenstander tempo.
  5. Openingsvallen om te vermijdenGa niet op pionnenjacht en speel geen randpionnen op zolang je koning en stukken nog op hun beginveld staan.

Maak een plan

Maak een plan, verplaats niet zomaar stukken

  1. Schaak, slaan, dreigingKijk vóór elke zet in deze volgorde: schaakzetten, slagzetten, dreigingen.
  2. Actieve stukkenZet elk stuk waar het vrij kan bewegen. Een ingesloten stuk telt nauwelijks mee.
  3. PionnenstructuurVrijpionnen zijn sterk; dubbelpionnen en geïsoleerde pionnen worden doelwitten.
  4. Val de koning aanVal aan waar je meer stukken hebt dan je tegenstander verdedigers heeft.
  5. Maak een planSta je voor? Ruil stukken. Sta je achter? Houd stukken op het bord en maak dreigingen.

Eindspelbasis

Zet een voordeel om in winst

  1. De actieve koningBreng in het eindspel je koning naar het centrum: daar vecht hij volop mee.
  2. De vrijpionSpeel vrijpionnen op; de regel van het vierkant vertelt je of de koning een vrijpion kan inhalen.
  3. De oppositieBij oppositie moet de koning die aan zet is wijken.
  4. ToreneindspelenZet je toren achter vrijpionnen en snijd de vijandelijke koning af.
  5. Zet het extra stuk om in winstEen stuk meer? Ruil stukken, win pionnen en promoveer dan tot een nieuwe dame.

Beroemde openingen

Maak kennis met de openingen die meesters spelen

  1. Italiaanse partijItaliaanse partij: e4, Pf3, Lc4. Centrum, snelle ontwikkeling en mikken op f7; daarna rokeren.
  2. Spaanse partijSpaanse partij: e4, Pf3, Lb5. De loper zet het paard dat e5 dekt onder druk; neem rustig de tijd om te rokeren en te ontwikkelen.
  3. Londen-systeemLonden-systeem: d4, Lf4, e3, Pf3, c3, Ld3. Eerst de loper, dan de pion; elke keer dezelfde solide opstelling.
  4. DamegambietDamegambiet: d4, d5, c4. Het lijkt een pionoffer, maar de pion komt meestal terug; Wit krijgt het centrum.
  5. Siciliaanse verdedigingSiciliaanse verdediging: antwoord op e4 met c5. Ruil je c-pion tegen de d-pion van Wit; de halfopen c-lijn en twee centrumpionnen zijn van jou.

Tactiek: gevorderd

Tactische ideeën waar meesters van houden

  1. TussenzetSla niet meteen terug! Vraag je eerst af: is er een sterkere tussenzet, zoals een schaakzet of een dreiging?
  2. VrijmakenStaat je eigen stuk in de weg? Zet het weg zonder tempo te verliezen, met schaak als dat kan.
  3. OnderbrekingDekt een stuk een ander stuk langs een lange lijn? Zet dan een stuk op die lijn. Soms is dat de koning van je tegenstander zelf.
  4. RöntgenaanvalLet op stukken die achter elkaar op dezelfde lijn staan: gaat het voorste weg, dan doet het achterste het werk.
  5. OffersEen offer is rekenwerk: geef alleen een stuk weg als je er schaakmat of meer voor terugziet.

Matpatronen: gevorderd

Leer de beroemde matpatronen

  1. Mat van AnastasiaKoning aan de rand naast zijn eigen pion: zet het paard op e7 en geef dan mat met een toren of dame op de h-lijn.
  2. Arabisch matKoning in de hoek: paard op f6, toren op h7. Het paard dekt de toren en bewaakt g8.
  3. OperamatEen open lijn en een loper die het einde ervan ziet: de toren gaat naar de achterste rij en de loper dekt hem.
  4. Mat van BodenKoning op c8 met zijn eigen stukken ernaast: zoek twee lopers. De ene bewaakt b8, de andere geeft schaak vanaf a6.
  5. HaakmatToren naast de koning, paard dekt de toren, pion dekt het paard: geen enkele schakel van de ketting kan geslagen worden.

Eindspelen: gevorderd

Eindspelkennis van de meesters

  1. Oppositie en zetdwangStaan de koningen tegenover elkaar, dan moet de kant die aan zet is wijken: neem de oppositie en loop er dan omheen.
  2. Dame-eindspelenKijk in dame-eindspelen eerst naar schaakzetten: win het stuk achter de koning, of ruil naar een gewonnen pionneneindspel.
  3. Goede loper, slechte loperZet je pionnen op de andere kleur dan je loper. Staan de pionnen van je tegenstander op de kleur van hun eigen loper, dan is die loper slecht.
  4. PaardeneindspelenEen paard zet korte stappen, dus het komt te laat om een verre vrijpion tegen te houden. Worden de paarden geruild, denk dan aan het pionneneindspel.
  5. Toreneindspelen verdedigenPhilidor: koning voor de pion, toren op de 3e rij. Bereikt de pion de 3e rij, dan gaat de toren ver weg en geeft hij schaak van achteren.

Je eerste fout wacht al. Je coach ook.

Haal ChessAI4U op Google Play en speel vandaag nog je eerste partij.